Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Naar aanleiding van de tentoonstelling MAATWERK/MASSARBEIT in het Deutsches Architekturmuseum over de architectuurproductie in de Lage Landen van de voorbije decennia, organiseert Het Nieuwe Instituut een reeks van vier dialogen die vooruit wil kijken naar de toekomst van deze architectuurcultuur. Op donderdag 27 oktober 2016 vond de eerste van deze reeks plaats in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam, waar de ‘jonge’ architecten Floris de Bruyn van GAFPA (BE), Freek Dendooven van Raamwerk (BE) en Floris Cornelisse van Happel Cornelisse Verhoeven Architecten (NL) werden uitgenodigd om in gesprek te gaan met ‘nestor’ Koen Van Velsen (NL), architectuurcriticus Gideon Boie van BAVO (BE) en moderator Flora van Gaalen van Het Nieuwe Instituut. Het werd een discussie over de verschillen en gelijkenissen tussen Vlaamse en Nederlandse architectuur en hoe deze culturen elkaar ontmoeten in een nieuwe generatie architecten.

Begin oktober 2016 opende in het Deutsches Architekturmuseum in Frankfurt de tentoonstelling MAATWERK/MASSARBEIT, die een overzicht geeft van de architectuurproductie in Vlaanderen en Nederland van de voorbije decennia. Deze tentoonstelling is een verwezenlijking van het Vlaams Architectuurinstituut en geeft een beeld van deze recente geschiedenis aan de hand van een omvangrijke verzameling maquettes, die de sleutelwerken uit deze periode naast elkaar plaatst. Samen met de uitgebreide catalogus Maatwerk | Made to Measure, beoogt deze tentoonstelling een herschrijving van deze geschiedenis te zijn, die al te vaak vervalt in clichés waarbij het keurige Nederland tegenover het rommelige Vlaanderen komt te staan. Er wordt daarentegen vooral geprobeerd de gelijkenissen tussen beide architectuurculturen te benoemen, die volgens de catalogus steeds meer naar elkaar toe groeien. Onder de noemer ‘maatwerk’ wordt de bezoeker uitgenodigd vanuit een ander perspectief naar deze geschiedenis te kijken, waarin Nederlandse architectuur vaak opvallend contextueel blijkt te zijn en Vlaamse projecten net een leesbaarheid geven aan het ‘rommelige’ Vlaanderen. Deze architectuurculturen blijken zo meer gemeenschappelijk te hebben dan op het eerste zicht wordt verwacht.

De opvallende scenografie werd verzorgd door Jantje Engels en Marius Grootveld, die samen het bureau Veldwerk vormen. Binnen het kader van de tentoonstelling bedachten zij daarnaast ook een mini-tentoonstelling getiteld Prelude, die vorm kreeg als wunderkammer. In dit kabinet willen zij net vooruitkijken en proberen ze een nieuwe generatie architecten te onderscheiden waarin de Vlaamse en Nederlandse architectuurculturen samenkomen. Onder de noemer a weaving generation nodigden zij een selectie architecten uit om een reeks kleine objecten tentoon te stellen die representatief zijn voor de eigen architectuurpraktijk. Deze objecten werden vervolgens via associatieve verbanden naast elkaar gezet om zo het verhaal van een generatie te vertellen. De wunderkammer ligt daarmee in het verlengde van de overkoepelende tentoonstelling, net zoals deze nieuwe groep architecten voortkomt uit de voorgaande generaties. Deze dialogen zijn dan ook een volgende stap in het tot stand brengen van een gesprek tussen deze nieuwe generatie uit de wunderkammer en de vorige generatie wiens werk werd opgenomen in de rest van de tentoonstelling.

Het is tevens een poging om antwoorden te vinden op vragen als wat nu juist deze nieuwe generatie definieert, in hoeverre deze verschilt van de voorgaande, en of er wel sprake is van een ‘generatie’.

Deze eerste dialoog in Rotterdam opende met een aantal beschouwingen van Gideon Boie, die als Vlaams architectuurcriticus vandaag vooral werkzaam is in België. In zijn inleiding formuleerde hij een aantal bedenkingen bij de noemer ‘maatwerk’, in een poging dit kapstokbegrip verder betekenis te geven. In de catalogus wordt dit begrip in de eerste plaats gedefinieerd als de mate waarin de architect controle heeft over het volledige bouwproces, gaande van de eerste schets tot de materialisatie en detaillering van het gebouw. Dit uit zich vooral in de manier waarop de hand van de architect zichtbaar wordt in de gerealiseerde constructie, waarbij deze constructie het verhaal van de architect vertelt in de vorm zelf, aan de hand van historische, typologische of contextuele referenties. De tentoonstelling kreeg inderdaad vorm als een verzameling maquettes waarin architectuur wordt getoond als een tastbare constructie, terwijl de wunderkammer een associatief verhaal van uiteenlopende, kleinere voorwerpen is. Met andere woorden, architectuur wordt als een autonoom object naar voor gebracht dat vooral voor zichzelf moet spreken. In de catalogus wordt dit bevestigd in het interview met Jantje Engels en Marius Grootveld, waar gesteld wordt dat het de architectuur zelf is die het argument moet maken. Of zoals de Vlaamse architectuurcriticus Geert Bekaert het ooit verwoordde: architectuur moet zich niet altijd excuseren.
Bij deze situering van het begrip ‘maatwerk’ maakte Gideon Boie de bedenking dat de controle over het volledige bouwproces bij een private opdracht wel kan, maar dat dit zeker niet evident is bij een publieke opdracht, waar ook de eindgebruiker meestal niet gekend is. Ook stelde hij dat deze focus op architectuur als autonoom object heel wat andere vormen van architectuur buiten beschouwing laat, zoals papieren architectuur, ongevraagde architectuur of de rol van de architect als mediator.

De belangrijkste bedenking hierbij was echter dat het architecturaal object niet alleen de hand van de architect toont maar ook die van de opdrachtgever, en al helemaal die van de onderliggende architectuurcultuur waarbinnen het object werd gerealiseerd – een bedenking die de rode draad doorheen de rest van het gesprek zou blijven.

Vanuit deze bedenkingen werden drie projecten van de jonge bureaus gepresenteerd. Floris de Bruyn van GAFPA toonde een ontwerp voor een weekendhuis, dat vorm kreeg in een minimale constructie met een maximale betrekking op de groene omgeving van Wachtebeke. Freek Dendooven van Raamwerk presenteerde daarnaast een kunstenaarswoning in Mariakerke, waarbij het woongedeelte en de atelierruimte als twee afzonderlijke volumes op het perceel werden geplaatst. Floris Cornelisse van HCVA presenteerde daarentegen de realisatie van het Noord-Hollands Archief in het centrum van Haarlem, dat bestond uit de vernieuwing van de bestaande leeszaal in combinatie met een nieuwe inkom. Opvallend hierbij is het uitgangspunt dat elke architect nam voor het ontwerpproces. In plaats van te vertrekken vanuit functionele, programmatische of sociale bezorgdheden, ligt de focus vooral op persoonlijke fascinaties en referenties. Het weekendhuis van GAFPA is het resultaat van een uitvoerige studie van een woning van Jean Prouvé in Nancy, terwijl de woning van Raamwerk voortkomt uit een poging om de stenen trigliefen die in Griekse tempels als ornament werden gebruikt, opnieuw in te zetten als een structurele elementen in hout. HCVA richtte zich daarentegen vooral op de vormelijke kenmerken van de site waar een centrale boom en de kroonlijst van het aanpalende gebouw bepalend waren voor het uitzicht van de leeszaal. In de detaillering van het interieur werden dan echter wel weer referenties van buitenaf gebruikt, zoals de gegraveerde handgrepen van de archiefkasten die een verwijzing zijn naar de Nederlandse schrijfster Hella Haasse, volgens wie archieven bewaarplaatsen voor de verloren tijd zijn.

Deze uiteenlopende referenties lijken te wijzen op een onderliggende houding waarbij architectuur eerder wordt opgevat als uitdrukking van een persoonlijke leefwereld dan als expressie van een uniforme cultuur. Het zijn alledrie projecten waarin het persoonlijke handschrift van de architect inderdaad leesbaar wordt en zo een uitspraak wordt gedaan over de architectuur zelf. Maar, zoals Gideon Boie ook hier weer opmerkt, ondanks dit handschrift, spreken deze projecten tegelijk ook over de cultuur waarbinnen ze tot stand kwamen. De woningen van GAFPA en Raamwerk zijn beiden exemplarisch voor de klassieke Vlaamse architectuurcultuur die haar oorsprong vindt in het bouwen van alleenstaande villa’s in een groene omgeving, terwijl HCVA niet toevallig een stedelijk project met een publiek opdrachtgeverschap toont, wat hoort bij een Nederlandse architectuurcultuur waarin de stedelijke omgeving vooral vorm krijgt in woonblokken die publiek eigendom zijn. Dit lijkt toch weer meer in de richting te gaan van de clichés die over beide architectuurculturen bestaan, dan dat er gelijkenissen zichtbaar worden. Ondanks de stelling dat architectuur voor zichzelf spreekt, wordt hier duidelijk dat ze ook altijd tegelijk over de onderliggende architectuurcultuur spreekt. Dit is dan misschien wel de impliciete vraagstelling in het verhaal over deze weaving generation: wat betekent het om architectuur voor zichzelf te laten spreken als de betekenis van het architecturaal object uiteindelijk toch bepaald wordt door de onderliggende cultuur waarin het tot stand kwam?

Het antwoord hierop ligt misschien in de positie die nestor Koen Van Velsen tijdens het gesprek innam, wanneer hij stelde dat de architect vooral zijn of haar werk ‘goed’ moet doen. Met dit eenvoudige antwoord verwees hij vooral naar het feit dat de architect architectuur moet maken, en dus, bouwen. Deze houding impliceert natuurlijk dat de architect zich onttrekt aan bijvoorbeeld de mediagenieke discours die de Superdutch generatie ontwikkelde, waarin architectuur vooral als beeld werd opgevoerd. De tentoonstelling, en de wunderkammer in het bijzonder, is in die zin vooral een poging om opnieuw naar de architectuur zelf te kijken, voorbij het discours en de interpretatie.

Er wordt opnieuw de nadruk gelegd op de materialiteit, de detaillering en de constructie, en het is hier dat, ondanks de aanhoudende culturele verschillen, Vlaanderen en Nederland elkaar lijken te vinden.

Deze weaving generation is een uiteenlopende verzameling van verschillende architectuurpraktijken, die elkaar ontmoeten in de nuchterheid en helderheid van het bouwen. We weten ondertussen dat het architecturaal object wordt bepaald door de onderliggende architectuurcultuur, door het opdrachtgeverschap, en bij uitbreiding ook door de economische, politieke en sociale condities van de context, maar toch lijkt deze generatie te geloven dat het architecturaal object ook betekenis kan hebben in zijn materialiteit en constructie op zich, zonder daarbij altijd opnieuw uitgelegd te moeten worden. Het is met andere woorden een zoektocht naar een onbepaalde betekenis die nooit helemaal kan uitgeput worden in een theoretisch discours, een zoektocht naar de schoonheid van het bouwen, of zoals de titel van de volgende dialoog het verwoordt, een zoektocht naar de radicaliteit van de poëzie, die gevonden moet worden in het reële van de architectuur zelf.

Verslag: Bart Decroos

Thursday Night at Het Nieuwe Instituut
Kristoffer Li & Kristoffer Halse Sølling

Thursday Night Live! biedt een afwisselend programma over architectuur, design en digitale cultuur. Actuele ontwikkelingen en kritische reflectie worden gedeeld en besproken door denkers, ontwerpers en makers uit binnen- en buitenland.